zijn |
to be |
ik ben |
jij bent |
zij is |
wij / jullie / zij zijn |
geweest* |
hebben |
to have |
ik heb |
jij hebt |
hij heeft |
wij / jullie / zij hebben |
gehad |
heten |
to be named |
ik heet |
jij heet |
zij heet |
wij / jullie / zij heten |
geheten |
doen |
to do |
ik doe |
jij doet |
hij doet |
wij / jullie / zij doen |
gedaan |
gaan |
to go |
ik ga |
jij gaat |
zij gaat |
wij / jullie / zij gaan |
gegaan* |
houden van |
to like/love |
ik houd van |
jij houdt van |
hij houdt van |
wij / jullie / zij houden van |
gehouden van |
vinden |
to find |
ik vind |
jij vindt |
zij vindt |
wij / jullie / zij vinden |
gevonden |
willen |
to want |
ik wil |
jij wilt |
hij wil |
wij / jullie / zij willen |
gewild |
geven |
to give |
ik geef |
jij geeft |
zij geeft |
wij / jullie / zij geven |
gegeven |
maken |
to make |
ik maak |
jij maakt |
hij maakt |
wij / jullie / zij maken |
gemaakt |
komen |
to come |
ik kom |
jij komt |
zij komt |
wij / jullie / zij komen |
gekomen* |
zien |
to see |
ik zie |
jij ziet |
hij ziet |
wij / jullie / zij zien |
gezien |
horen |
to hear |
ik hoor |
jij hoort |
zij hoort |
wij / jullie / zij horen |
gehoord |
voelen |
to feel |
ik voel |
jij voelt |
hij voelt |
wij / jullie / zij voelen |
gevoeld |
slapen |
to sleep |
ik slaap |
jij slaapt |
zij slaapt |
wij / jullie / zij slapen |
geslapen |
wonen |
to live |
ik woon |
jij woont |
hij woont |
wij / jullie / zij wonen |
gewoond |
zitten |
to sit |
ik zit |
jij zit |
zij zit |
wij / jullie / zij zitten |
gezeten |
eten |
to eat |
ik eet |
jij eet |
hij eet |
wij / jullie / zij eten |
gegeten |
drinken |
to drink |
ik drink |
jij drinkt |
zij drinkt |
wij / jullie / zij drinken |
gedronken |
spreken |
to speak |
ik spreek |
jij spreekt |
hij spreekt |
wij / jullie / zij spreken |
gesproken |
werken |
to work |
ik werk |
jij werkt |
zij werkt |
wij / jullie / zij werken |
gewerkt |
lezen |
to read |
ik lees |
jij leest |
hij leest |
wij / jullie / zij lezen |
gelezen |
bellen |
to call |
ik bel |
jij belt |
zij belt |
wij / jullie / zij bellen |
gebeld |
schrijven |
to write |
ik schrijf |
jij schrijft |
hij schrijft |
wij / jullie / zij schrijven |
geschreven |
lopen |
to walk |
ik loop |
jij loopt |
zij loopt |
wij / jullie / zij lopen |
gelopen |
bestellen |
to order |
ik bestel |
jij bestelt |
hij bestelt |
wij / jullie / zij bestellen |
besteld |